Vanaf krabbelen & Dwarrelen
We hebben een universele “taal” als het om teken-expressie gaat. Uit welk land en welke cultuur we ook komen, we blijken allemaal ongeveer dezelfde ontwikkeling door te maken. Ik vind het interessant om te ontdekken in welke fase van ontwikkeling de tekenvaardigheid thuis hoort en hoe een volgende fase er uit zou kunnen zien.

Een aantal dagen per week geef ik teken- en schilderles aan mensen met een beperking. Het zijn mensen van verschillende leeftijden en aandoeningen en dus ook van uiteenlopende ontwikkelingsniveaus. Om meer te kunnen begrijpen van de tekeningen die ik langs zie komen ben ik me gaan verdiepen in de ontwikkeling van het tekenen.
Krassen, krabbelen en doedelen
(ontwikkelingsniveau tot ca 3 jaar)
De eerste tekeningen die we maken zijn eerder “sporen” die toevallig ontstaan. Het zijn stippen, strepen, krassen, die willekeurig ontstaan, er is geen sprake van een voorstelling. Alles wat onder de stift of potlood terecht komt wordt mee getekend, de randen van het papier zijn niet belangrijk. Vooral de ontdekking dat potloden of stiften sporen achterlaten is stimulerend. De motoriek, fantasie en waarneming worden ermee geprikkeld.
Vanuit het krassen gaan we steeds meer “zwieren”. Vanuit de kras ontstaan wervelende bewegingen die zich vervolgens weer langzaam ontwikkelen tot de gesloten vorm, een cirkel of ovaal. Kleine vormen worden steeds groter en krijgen ook een betekenis die benoemt kan worden. Gelukkig maar, want ze zijn nog lang niet voor iedereen herkenbaar. Daarna tekent het kind in het rondje al snel een gezicht. Vaak tekenen we wat ze het belangrijkst vinden het grootst.
Bij de afwisseling van lijnen en wervelingen en gesloten vormen, zien we langzaam de tekenaar ontstaan.


Koppoters
(ontwikkelingsniveau vanaf ca 3 jaar)
Nadat we de gesloten vormen onder de knie hebben, volgen al snel de “koppoters”, een hoofd met eerst de benen. Toevallig herkennen we een menselijke vorm in de tekening. We brengen dus als het ware een ervaring en een beeld samen. Omdat dit door de meesten als een prettige ervaring beschouwd wordt, blijven we dit herhalen.
Dit is het ontstaan van het figuratief tekenen, waarin de stap naar het werkelijke grafisch symboliseren wordt gezet. We beginnen nu met het tekenen van dingen die we waarnemen.
Het hoofd heeft vaak ogen en een mond. Daarna worden de armen toegevoegd, soms aan het hoofd, soms haaks op de benen. Je kunt precies zien wat belangrijk is op dat moment. De buik, handen en voeten volgen later.
Afhankelijk van de interesse kan de volgorde van de ontwikkeling iets verschillen.



Dwarrelen
(ontwikkelingsniveau vanaf ca 4-5 jaar)
In deze fase houden we ons steeds minder bezig met de drang om in het wilde weg over het papier te krassen of bewegingen te herhalen. We gebruiken bij het maken van de tekeningen niet meer de volledige ruimte van het papier, maar beperken ons steeds meer tot een bepaalde plek op het papier. Het krabbelen blijft nog steeds aanwezig, maar wordt langzaam steeds concreter. Tijdens het tekenen wordt het papier nog vaak gedraaid, er is geen duidelijke boven- en onderkant, alles ‘dwarrelt’ in de tekening. Alles is nog mogelijk, verhoudingen zijn niet belangrijk.
We kunnen nu ideeën langer vasthouden. In deze fase weten we vaak wel wat we willen tekenen, ons voorstellingsvermogen begint zich te ontwikkelen. Maar elke voorstelling kan nog wel op ieder moment iets anders zijn. Droom en fantasie spelen een grote rol. Wat bijvoorbeeld vandaag in de tekening een hond is, is morgen een auto. In deze fase worden er ook vaak hele verhalen verteld bij de tekening.
We worden ons nu ook bewust van het eigen lichaam in een bepaalde ruimte, en dat mensen en dingen ruimte innemen. Deze bewustwording zie je terug doordat we dan tijdens het tekenen ruimte reserveren voor de onderwerpen die we willen tekenen. We maken dan vooraf een soort planning van waar de onderwerpen in de tekening moeten komen. Dit kost ons veel moeite en gaat niet altijd vanzelf.

Er is meer tussen hemel en aarde
(rond ontwikkelingsniveau van 5-7 jaar)
De dwarrelfase gaat over in een begrenzing van boven en beneden. Vaak zie je eerst aan de bovenkant een hemel komen. Daar hangt dan vaak van alles zoals zonnen, wolken, vlaggetjes en ballonnen. Aan de onderkant komen streepjes als gras. Daartussen zweeft alles nog.
De bodem gaat over in een horizontale streep, de mensfiguurtjes “zakken” steeds verder naar beneden totdat ze ‘geland’ zijn op de bodem. Ook zie je dat we in deze fase steeds meer details gaan tekenen en de mensfiguurtjes met kleding ontstaan. Er ontstaan versieringen zoals bloemen.
Hoewel de tekeningen steeds realistischer worden, wordt het onderscheid tussen werkelijkheid en fantasie in de tekeningen nog niet gemaakt. Zo zijn we bijvoorbeeld goed in staat om bomen te tekenen, maar tegelijkertijd zijn we ook in staat om de bomen horizontaal weer te geven. We tekenen niet zozeer wat we weten, maar wat we kunnen bedenken. Vaak worden er objecten uit de belevingswereld gecombineerd met de fantasiewereld.

Motoriek
Hoe verder de ontwikkeling is gevorderd, hoe gedetailleerder de tekeningen worden. Dit komt niet alleen doordat de fijne motoriek zich steeds verder ontwikkelt, maar dit komt ook doordat we meer kennis krijgen over de wereld. We tekenen immers meestal wat we weten. Zo worden er nu vaak wimpers en andere details getekend. Ook het hoofdhaar wordt op een meer realistische manier weergegeven. Er is een onderscheid tussen verschillende mensen. Er wordt dus geen algemeen poppetje meer getekend voor verschillende personen, maar elke persoon krijgt andere uiterlijke kenmerken toegekend.
Het onderscheid tussen geslachten
In deze periode beginnen we onderscheid te maken tussen man en vrouw. Mannelijke figuurtjes worden driehoekig of vierkant getekend. Voor vrouwen worden meer driehoekige en ronde vormen gebruikt. Ook worden vrouwelijke figuurtjes vaak groter afgebeeld dan de mannelijke figuurtjes. Dit komt door het belang van de moederrol. De moeder speelt vaak een grotere rol in onze opvoeding. Daarom zal een vrouwelijke figuur eerder groter afgebeeld worden dan een mannelijk figuur.
Bij het onderscheid tussen de verschillende sekse let het kind vooral op de haren. Bij een meisje worden de haren vaak met meer zorg getekend en ook worden deze langer getekend dan bij jongens. Ook door middel van verschillende kleding wordt het onderscheid tussen de twee sekse gemaakt.

Zijaanzichten
(rond ontwikkelingsniveau van 7 jaar)
Er komt meer realisme in de tekening en er worden nog meer details getekend. Er is meer bewustzijn over het hebben van handen en voeten, ogen met pupillen, enz. Ook zie je dat mensen en dieren van de zijkant getekend gaan worden.
Realiteit
(ontwikkelingsniveau 7-12 jaar)
De fase waarin we beginnen met realistisch tekenen vindt plaats bij een ontwikkelingsniveau van 7 tot 12 jaar. De tekeningen, zijn steeds meer representatief voor de werkelijkheid. De houding die we tegenover de tekening hebben, wordt steeds kritischer en de voorstellingen worden steeds meer vergeleken met de realiteit. We proberen steeds schetsmatiger te tekenen.
In deze fase gaan de ontwikkelingen vaak niet meer zo snel als de jaren hiervoor. We ontdekken dat er dingen niet kloppen in de tekening en worden kritisch op onze tekening. We willen iets tekenen dat lijkt en willen graag tips over ‘hoe het moet’. We kunnen in deze fase het plezier in en het lef om te tekenen verliezen. Soms ontstaat “tekenmoeheid” .

Dieptewerking in de tekening
(rond ontwikkelingsniveau 9 jaar)
We zijn nu in staat om diepte te zien. Dit zie je in de tekening terug doordat het dingen voor en achter elkaar worden geplaatst. Het worden vaak hele taferelen maar qua perspectief klopt het nog niet altijd helemaal.
De onderwerpkeuze soms verrassend stereotype. Het thema dat getekend wordt is erg afhankelijk van de interesses van het kind. Jongens houden van stoere thema’s en actie. Bij meisjes zie je vaak tekeningen over sociale situaties en dieren, hartjes etc. Maar ook stripfiguren zijn bij zowel jongens als meisjes rond deze leeftijd geliefde onderwerpen. Ze willen graag natekenen en leren hoe je iets tekent.
Bij een menstekening wordt er meer rekening gehouden met de werkelijke verhoudingen van de lichaamsdelen van de mens en de proporties van het lichaam.
De begrippen tijd (dag/nacht, zomer/winter), ruimte (binnen/buiten, hemel/aarde, stad/land) en beweging (zwaaien, lopen, varen, rijden, waaiende haren) gaan in deze realistische fase een steeds belangrijkere rol spelen.
Ontdekken van perspectief
(ontwikkelingfase 10-11-12 jaar)

In deze fase willen we graag werken met wetmatigheden en willen we perspectief tekenen. Constructies en geometrische vormen worden interessant. We willen de baas zijn over de tekening, maar worden ook kieskeuriger. Soms zie je perfectionisme waardoor er bijvoorbeeld heel klein wordt getekend.
We stoppen nu vaak met het uiten van ons gevoel in de tekening en proberen een realistische weergave van de werkelijkheid te geven. De creativiteit van de tekeningen neemt af. We worden meer beïnvloed door de opgelegde discipline van buitenaf. We doen ons uiterste best om de tekening in te passen in de omgeving waarin we ons bevinden. Ook willen we elkaars vormen en ideeën overnemen.
Aan het einde van de realistische fase ontstaat er een groter inzicht in het eigen vermogen (en de eigen beperkingen).