• Luchtkasteel

    30 juni 2019

    Hij opent zijn ogen en doet ze meteen weer dicht. Zijn hoofd klopt op het onrustige ritme van zijn hart. De gordijnen waren ooit zachtgeel, nu zijn ze asgrauw, desondanks kan hij het licht niet verdragen. De wijn van gisteravond eist zijn tol. Langzaam wordt hij wakker en de rauwe realiteit sijpelt meteen weer naar binnen. Het bed naast hem is leeg, al anderhalf jaar nu, hij kan er maar niet aan wennen. Het bed verschoont hij zo min mogelijk. Af en toe lijkt het of hij nog een snufje van haar geur opvangt, zeker als hij aan haar kant van het bed gaat liggen, dan is de hoop op zo'n tastbare herinnering het grootst. Zwarte gedachten vullen zijn hoofd. Wat moet hij vandaag weer bedenken om die diepe eenzaamheid het hoofd te bieden?

     

    Als hij zich losscheurt uit de klamme lappen, kijkt hij eerst wezenloos om zich heen. Waar heeft hij zijn kleren gisteravond uitgedaan? Deze keer vindt hij ze keurig opgevouwen terug op haar kruk aan de andere kant van het bed. Haar kant. Hij snuffelt aan zijn kleren en concludeert dat ze nog wel een dagje meekunnen. Sinds hij zelf moet wassen is hij wel wat zuiniger geworden op zijn spullen. Dat er morsige vlekken op zitten ontgaat hem.

     

    Zijn vaste ochtendritueel is nog aanwezig, dat voelt vertrouwd. In de keuken eet hij mechanisch de twee sneetjes. Zet een kopje koffie met de volautomatische, zelf bonen malende machine die hij nog met haar heeft gekocht. Zij vond deze koffie heerlijk. Met een vage smaak van algen, denkt hij, maar dat zal wel verbeelding zijn. In de krant staat niets wat het lezen waard is.

     

    Na het ontbijt gaat hij, dat deed hij ook toen zij er nog was, altijd een rondje lopen. Het is een gewoonte die hij al bijna veertig jaar heeft. Na zijn eerste infarct, hij was toen betrekkelijk jong, heeft hij het advies gekregen om elke dag een half uur te bewegen. Omdat hij niet van sporten houdt is hij maar gaan wandelen. Eerst deed hij het alleen, maar na zijn pensioen ging zij meestal mee. Op het laatst kon ze het bijna niet meer volhouden, maar zij was meegaand en hij stond erop.
    Onderweg komt hij niemand tegen. Het is nog vroeg, de mensen slapen nog.
    Zijn hoofd voelt aan als een mierennest. Mieren rennen rusteloos en zonder doel in het rond. Als hij weer thuis komt ligt de dag als een uitgestrekte eindeloze, troosteloze vlakte voor hem.

     

    Hij besluit maar wat rond te gaan rijden. Autorijden vond zij altijd heerlijk. Eigenlijk heeft hij na zijn pensioen nooit meer gereden, dat deed zij altijd. Ze gingen er bijna elke dag op uit, want hij kon niet thuis blijven. Een rusteloze ziel. Tegenwoordig moet hij weer zelf rijden. Het is moeilijk om aan jezelf toe te geven, maar een beetje onzeker is hij wel. Sinds zij er niet meer is, zijn er een aantal akkefietjes geweest. Hij heeft twee banden en een linker portier moeten vervangen. Gelukkig alles buiten zijn schuld om. Nou ja, een aantal bekeuringen was misschien wel terecht.

     

    Hij gaat naar de “Outlet” in Haarstad. Daar is niets te zien dat hem interesseert, maar het is een mooie herinnering aan haar. Hij loopt er doelloos rond. Het gemis komt en gaat, als een caleidoscoop. De aanvechting om te huilen, vindt hij het moeilijkst te onderdrukken. Jankte hij maar een keer. Bijna alles doet hem aan haar denken. Sommige dingen raken meer dan andere. Het is de eenzaamheid, dat is het ergst. Hij zou er zijn leven voor over hebben om nog één keer met haar op vakantie te kunnen gaan. Het leven is doelloos geworden en dat besef is ondraaglijk.

     

    Op de terugweg raakt hij de weg kwijt. Voor de Tomtom heeft hij geen geduld, hopeloos verstrikt raakt hij in al die knoppen en mogelijkheden. Hij komt tijdens zijn dwaaltocht in Buurland terecht waarvan hij zich herinnert dat daar een oud-collega woont. Zij heeft hem ook gekend. Het was in de tijd dat ze in het buitenland woonden. Twee collega's had hij daar. Ze hebben geen contact meer onderhouden. Het lijkt nu een mooi moment om de man eens te bezoeken en oude herinneringen op te halen. Bij de fietsenmaker stopt hij en doet navraag. Het dorp is niet groot en iedereen kent iedereen. De oud-collega blijkt vijf jaar geleden overleden te zijn.

     

    Hij vervolgt zijn zoektocht en komt uiteindelijk in Hopeloos terecht. Hier heeft hij ooit iets over gelezen. In het dorp schijnt vroeger een kasteel te hebben gestaan. Niemand weet of het waar is, maar zijn onderzoekende geest wordt wakker! In het dorp staan 6 huizen, de families hebben allemaal dezelfde naam. Hij heeft hier al eens onderzoek naar gedaan. De stamboom van deze mensen heeft hij in archieven teruggezocht tot 1262 na Christus.
    Met haar ging hij dan naar archieven in de wijde omgeving. Vooral de speciale collectie, daarin was hij geïnteresseerd. Kijken mocht je naar die boeken, maar kopiëren mocht je niets... tenminste dat was de regel. Zij kreeg alles voor elkaar! Dankzij haar had hij heel wat reproducties van half verteerde bladzijden in zijn bezit. In het archief kon je diagonaal screenen op namen, de details, daar ging je thuis pas mee aan de slag. Als hij daar dan mee bezig was, ging zij in de tuin aan het werk. Zo deden ze toch allebei wat ze leuk vonden.

     

    Maar dat kasteel, daar moet hij meer van weten. Bij elk huis belt hij aan. Niemand is thuis. Pas bij het laatste huis wordt open gedaan. Een vrouw, krijtwit, gerimpeld als een herfstblad, staat hem te woord, haar waterige ogen staan vaal en uitdrukkingsloos in haar gezicht. Hij vertelt dat hij onderzoek doet naar het kasteel. De geschiedenis van het kasteel heeft een duidelijk verband met de huidige bewoners van dit dorp, en hij is op zoek naar meer informatie.
    De ogen van de vrouw lichten op. Haar man, hij is een aantal jaar geleden overleden, heeft hier ook onderzoek naar gedaan. Hij heeft nog een heel archief op zijn kamer liggen. Als hij interesse heeft, dan mag hij het wel meenemen. Zij doet er toch niets meer mee. Ook over dat kasteel was haar man altijd bezig. Echt bewijs heeft hij niet gevonden. Een foto van een schilderij waar het kasteel op zou staan, dat is het grootste bewijsstuk.
    Hij aanvaardt zijn cadeau en is helemaal in zijn nopjes. Opgewekt rijdt hij terug naar huis. Het begin van een nieuw onderzoek.

     

    Als hij binnenstapt roept hij haar naam. Maar dan beseft hij dat ze er niet meer is. Hij zakt terug in lethargie. Alles in dit huis draagt haar stempel, de inrichting was haar ding, hun kasteel. Hij zijgt neer op de bank en dompelt meteen weer onder in eindeloze troosteloosheid. Honger heeft hij niet. Hij pakt een fles wijn en gaat hiermee de rest van de dag te lijf. Hoe hij in bed komt weet hij niet meer.

     

    Afbeelding: Dogon - 2009 - mixed media

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 11 keer bekeken

  • Fish nr 17

    25 juni 2019

     

     

     

    ooit was je hier
    zwom je in een zee van ruimte
    deinde mee met de golven

     

    het water sijpelde door de kieren
    er kwam een barst in je bestaan
    je schaduw bleef achter

     

    een afdruk van wie je was
    in dit getekende landschap
    is je schoonheid vereeuwigd

     

     

     

     

     

     

    Dit mooie, tot de verbeelding sprekende gedicht, is gemaakt door Maya Plas. De tekening is een detail uit mijn tekening "All Fish".

    En weer overkomt mij iets dat ik heel bijzonder vind. Maya gebruikt mijn werk als uitgangspunt voor haar eigen werk. Het resulteert in een prachtige combinatie van beeld en woord dat elkaar versterkt. Dank je Maya!

    Maya is vertelster, schrijfster en creatiefvormgeefster bij De Blauwe Kom. (www.deblauwekom.nl)

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 12 keer bekeken

  • Mijmeren

    23 juni 2019

    Afbeelding Mijmeren

     

     

    hier zit ik
    gekleed in een schubbenpak
    en overdenk mijn vissenbestaan
    adem op het ritme
    van de golven in de haven
    die net zo rustig kabbelen
    als mijn gedachten komen en gaan
    heb ik er goed aangedaan
    aan te meren op het vaste land
    of verlangt mijn vissenlijf
    naar het ruime sop
    mijn schubben laten koesteren
    door de zilte zee

     

    ik zit hier
    en vis naar een antwoord


     

     

     

    Bovenstaand gedicht is gemaakt door Nico van den Raad naar aanleiding van mijn tekening "Mijmeren" uit de serie "Vissenkoppen". Het is voor mij een heel bijzondere ervaring te merken dat Nico zoveel inspiratie put uit mijn werk. Hij treedt binnen in mijn belevingswereld en maakt er zijn eigen wereld van. Nico is verhalenverteller en dichter bij De Blauwe Kom. (www.deblauwekom.nl)
     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 12 keer bekeken

  • Vissenkoppen

    11 juni 2019

    Vissenkop

     

    Ongemakkelijk sta ik aan de rand van het water op de houten vlonder. De brede verweerde planken hebben een lichtgrijs uiterlijk met donkere nerven. Het water klotst met rustige slagen tegen de bemoste staanders. Het ruikt naar schimmel en rotting.
    Alles in dit gebied getuigt van tweeslachtigheid. In de haven ligt een riante jacht naast een tobberige, vermolmde kottertje. Het uitgestrekte natuurgebied langs het water wordt verderop schaamteloos onderbroken door zware industrie. Voordat je in de, uit luxe appartementen, hotels en restaurants bestaande jachthaven komt, moet je eerst door een troosteloze naoorlogse woonwijk en een non-descripte strook met bedrijvigheid. Even blijft mijn blik hangen op de goed onderhouden blauwe kotter met gele staken waaraan netten zijn bevestigd. Visserij. Dat kan hier gewoon naast de pleziervaart.
    De combinatie van de wiebelige, donkere houten vlonder en de geur van rottend water voert mij terug naar mijn kindertijd. Ik heb als kind een poosje in Hongarije gewoond.

    Ik ben een jaar of acht en loop over een onmetelijk lange vlonder over een meer naar een wit geschilderd gebouw. Het is koud, het vriest. De omgeving is dampig. In de kleedruimte die boven het water lijkt te zweven, staan bankjes. Langs de wand oneindig veel houten kastjes met zwarte nummers erop.
    Intimiderend dikke vrouwen zijn zich aan het uitkleden. Ik versta ze niet. Terwijl ik mijn zwempak aantrek observeer ik mijn omgeving. Alles in deze wereld is wit of zwart. De dames hebben uitpuilende witte lijven die ze in massieve zwarte badpakken hijsen. Ze hebben bijzondere schoenen, witte enkellaarsjes met blote hakken en open tenen. De veters lopen in een horizontaal patroon naar boven. Ik hoor water klotsen.

    Als ik mijn badpak aan heb moet ik naar de naastliggende kleedruimte. In het midden staat een rek, ik zie het aan voor een babybox, maar het blijken de leuningen te zijn van een ladder naar beneden. Ik sta aan de rand en zie een dampend pikzwart gat. Trillend daal ik af. Als ik lager kom wordt de witte ladder steeds gladder en steeds donkerder van kleur. Ik zal verder moeten, terug kan ik niet. Mijn vluchtroute wordt afgesloten door een zwart massief dat na mij de trap afdaalt. Onverwacht bereik ik de waterspiegel.
    Onder het witte gebouw is het verrassend donker en ruikt het naar rottend hout en bederf. Het klotsende water klinkt hol en blijkt warm te zijn, lichaamstemperatuur. Een gewaarwording die het alleen maar enger maakt. Zwemmen kan ik als de beste, maar zwemmen in deze spelonken is eng. Het gebouw staat op staanders met een ruw uiterlijk, maar ze voelen naar slijm en snot. Hoe diep zou het zijn? Ik voel voorzichtig met mijn tenen. Ik kan de bodem net aanraken, het is glibberig, snotterig en voelt naar te lang gekookt vlees. Af en toe voel ik harde stukjes. Botten?

    Door paniek bevangen, zwem ik zo snel mogelijk onder het gebouw uit. Het meer is onheilspellend diepzwart, er drijven flarden witte mist op. Het ene moment lijk je niet te kunnen focussen en zie je alleen witte watten, het ander moment kun je de verre oever zien met de hoge witte bomen die als pluimen uit het besneeuwde landschap oprijzen.

    De witte pluimen uit de schoorstenen van de zware industrie halen me weer terug naar mijn plannen van vandaag. In mijn duikuitrusting sta ik op de rand. Het duikpak zit weer vertrouwd strak om mijn lijf, het lood om mijn middel en de zuurstofflessen voelen zwaar. Mijn flippers leg ik op de rand van de vlonder, die doe ik wel in het water aan. Omdat er geen mooie rand is waar ik professioneel achterover vanaf kan vallen, klim ik onbeholpen het gladde laddertje af. Het eerste contact met het water is koud, maar tegen de tijd dat ik mijn flippers aan heb, ben ik al weer opgewarmd. Ik controleer alle functies en kies het ruime sop.
    Ik heb al een tijdje niet meer gedoken. Het voelt onwennig. Ik merk dat ik de neiging heb te snel te ademen waardoor ik steeds weer naar boven drijf. Ik maan mezelf tot kalmte en concentreer me op de onderwaterwereld. Hiervoor doe ik het tenslotte.
    De bodem is een bergplaats van geheime schatten, een toonzaal, vol glimmende hebbedingetjes, bewegende kleine beestjes die ik niet kan thuisbrengen. Spannende vormen met groeisels erop. Voorzichtig reik ik naar een schelp, hij ligt verder weg dan ik inschat. Ik grijp er naast. De vertekening van de duikbril. Niet alles is wat het lijkt. Dit verrassingseffect maakt me nieuwsgierig. De kleuren zijn intens en waterig tegelijk, niet flets en toch gedempt, vooral als je niet al te diep zwemt en het zonlicht nog invloed heeft. Ik laat de schelp liggen. Aanraken is ineens niet meer nodig.
    Onder water lijkt de wereld te vertragen, geluiden worden weggefilterd. Rust, heerlijk. Mijn gedachtes krijgen de ruimte om alle kanten op te gaan. De waan van de dag is ineens heel ver weg. Vissen komen links en rechts langs zwemmen, stoïcijns. De starende, schijnbaar niets registerende blikken van de vissen brengt mijn gedachten naar mijn werk.

    Ik moet mensen aanvoelen. Mensen die moeite hebben zich staande te houden, houvast geven. Soms begrijpen ze zichzelf niet, soms kunnen ze zich niet uiten, soms is er weer iets anders aan de hand, maar allemaal hebben ze aandacht nodig en zwemmen ze bijna richtingloos door het leven. Net als die vissen hier om me heen. Net als ik nu aan het doen ben. Het grote verschil is dat dat stuurloze dwalen mij rust geeft.
    Als ik ogen zie die rusteloos heen en weer schieten, die niet meer focussen, dan is dat eng. Het ondergedompeld zijn in onpeilbare diepten. Dat kan lang duren elke impuls wordt genegeerd. En dan, als het iets beter gaat, het spartelende boven komen. De extreme chaos in het hoofd. Het eindeloos herhalen van dezelfde onbegrijpelijke zinnen. Geluiden komen meedogenloos hard binnen, dat zie je. In elkaar krimpen als er iets kleins valt. De ogen worden groot, (vissenogen?), de wereld is zichtbaar angstaanjagend. De eenzaamheid druipt eraf, want onbereikbaar, er is niemand, écht helemaal niemand die het begrijpt. Ik hoor dat je niet meer weet wie je bent. Je spreekt jezelf aan, alsof je uit twee ikken bestaat, die naast elkaar in je hoofd leven. De ene keer daagt de ene ik de ander uit, dan weer spreekt de ene ik de ander geruststellend toe. De chaos wordt dan niet kleiner. Hersens lijken onder stroom te staan, af en toe een kortsluiting.

    Er zwemt weer een vis langs met gouden schubben, een staart van voile en een snor van zilverdraad die meedeint in de stroming. Geen idee, welke het is, ze lijken allemaal op elkaar, in essentie.

    Maar waarom denk ik nu weer na over zulke zware onderwerpen? Ik wil genieten daarom ben ik hier. Deze rustgevende onderwaterwereld. Het geluid van mijn adem, de belletjes die in een regelmatig patroon naar boven borrelen. De gedempte kleuren die aangeven dat ik nog helemaal niet zo diep zit. Ik kan de kleuren van de vissen en de plantjes op de grond nog steeds onderscheiden. Van verrukking woel ik met mijn hand door de bodem, die deze keer veel dichterbij is dan ik verwacht. De grond begint te zwellen, grote wolken stof ontstaan.
    Van het een op het andere moment wordt mijn wereld overschaduwd door donkerte. Even, een moment kleiner dan een nanoseconde, ben ik terug in mijn jeugd. Mijn vluchtroute is weer afgeschermd door een zwart massief. Mijn zicht is verdwenen. Ben ik blind? Ik hoor rare geluiden, het galmt, klinkt hol, hard, heel erg hard. Het geluid houdt aan en duwt tegen de achterkant van mijn ogen, of het op zoek is naar een uitweg. Paniek. Mijn hersens lijken een modderige brei, een kolkende massa, lijken op het punt te staan te ontploffen. Over mijn hele lijf voel ik draden. Het tintelt. Als bij toverslag heerst er een oorverdovende stilte. Nog steeds dat zware zwarte massief boven me. Links en rechts schieten schichten voorbij. Wat is dat? Ik voel het meer dan dat ik het zie. Ik kan me nauwelijks bewegen, ben bevroren van angst, voel me ingepakt in een net en lijk tegelijkertijd onder stroom te staan. Tegen mijn zin word ik naar boven gedwongen, tegenspartelen helpt niet.

    Als ik wakker word, lig ik op een harde blauwe vloer. De bodem beweegt. Naast mijn hoofd een prachtige vissenkop met gouden schubben die snakt naar adem. Langzaam kom ik overeind. Ik zie nog veel meer vissen met paniek in de ogen. Allemaal happen ze naar adem. Mijn zuurstofflessen staan gedeukt naast me. Ik besef dat ik aan dek van een kotter ben. Reusachtige mannen met verweerde gezichten staan glimlachend om me heen. Hun lichaamstaal spreekt boekdelen. Ze zijn zichtbaar opgelucht en spreken mij op geruststellende toon toe. Ik versta ze niet, mijn oren zitten nog dicht. Ik begrijp dat ze het beste met me voor hebben.
    Ze helpen me overeind en ik zie dat we de haven binnenvaren. Links en rechts weer de jachten naast de vermolmde kottertjes, het natuurgebied en de zware industrie.
    Als ik later weer op de vlonder sta besef ik dat de onderwaterwereld hier net zo tweeslachtig is als de rest van deze omgeving.

     

    Afbeeldingen:Uit de serie "Vissenkoppen" - 2019, Poseidon, Ichtus en Mijmeren.

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 18 keer bekeken

  • Wie ben ik?

    28 mei 2019

     

     

     

     

    Wie ben ik?

    Ben ik mij,
    of ben ik haar?

    Mij en haar
    zijn verstrengeld met elkaar.

    Ieder ander leeft een eigen leven,
    maar ik, ik leef per paar.

     

     

     

     

    Afbeelding: De tekening uit de serie "Diary" (Dagboekportretjes) d.d. 23 januari 2019

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 16 keer bekeken

  • Man met pauw

    21 mei 2019

     

    er woont een pauw in mijn hoofd
    ze stak haar kop op toen ik
    een negen scoorde bij een proefwerk
    op de middelbare school
    ze toonde haar kleurenpracht
    toen ik verliefd werd op
    een nieuw buurmeisje aan
    de overkant van de dorpsstraat
    ze spreidde haar vleugels
    toen mijn eerste dochter geboren werd
    ze liet haar klaagkreet horen
    toen mijn vrouw overleed

    ze woont nog steeds in mijn hoofd
    onder mijn grijze haren
    en achter mijn rimpels
    ik zie haar elke dag
    als ik in de spiegel kijk
    of de foto van mijn vrouw
    in mijn handen neem

    mijn pauw

     

     

    Bovenstaand gedicht is door Nico van den Raad gemaakt naar aanleiding van mijn dagboekportret van 5 september 2018. Ik krijg het tijdens mijn expositie in Haarlem vlak nadat ik hem en zijn vrouw heb leren kennen. Een indrukwekkend cadeau.

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 23 keer bekeken

  • Portret met vis

    21 mei 2019

     

     

     

    Vis, gedreven door de stroom,

    aan de ziel ontsproten in een droom,

    ondergedompeld in woest

    meanderende duisternis,

    help mij onthouden, wat

    sprankelende lichtvoetigheid is.

     

     

     

     

    Afbeelding: Portret "Manon" uit 2018. Potlood op papier.

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 23 keer bekeken